Nieuwsbrief april 2021

PASEN 
Het tijdloze mysterie van de opstanding


‘Sta op uit je slavengraf!’
‘Hoe lang nog blijf je slaaf? Hoe lang nog ben je bereid te doden en je te laten doden in naam van de vrijheid, in naam van kroon en troon, in naam van de oude goden? Heel de aarde is doordrenkt van bloed en zweet van slaven. Vol is de lucht van hun angstkreten. In opdracht van de slavenmeesters is er gedood, gemoord, geplunderd en verkracht. Zij richten je af tot gehoorzame honden, laten je blaffen of bijten op bevel en voor een ranzig bot lik je hun hielen, kwispelt je geest. De slavenmeesters hebben de wereld tot één grote gevangenis gemaakt. Ze dreigen met angst, wapens en wetten. Even is er vrede, dan klinkt hun oorlogstrommel weer. Overal jagen ze je op, regelen ze je leven, geven ze je af en toe rust en ontspanning, brood en spelen. Maar zíj bepalen wanneer je moet vechten, vluchten of rusten. Je bent hun prooidier dat ze dag en nacht besluipen. Velen voelen het niet eens. Hun slavengeest is al te oud of verdoofd geraakt in een fraaie gevangenis die geen ijzeren tralies kent.’

 

‘Sta op uit je slavernij. Schud af je slavenjuk. Breek de gouden scepter van de leugengoden en de slavenmeesters. Sla de zweep die jou eeuwenlang sloeg doormidden. Breek het foltertuig waarmee je zo lang gemarteld werd. Verwerp die ideeën die als ijzeren tralies zijn. Sta op uit je slavengraf! Jullie zijn kinderen van het ene, adem van de geest van vrijheid. Laat je leiden door de meester in je innerlijk koninkrijk, en het rijk der slaven is voorgoed verslagen. De grenzeloze vlag van vrijheid en liefde rijst op tot in de hoogste hemel. Niemand zal jou ooit nog bezitten, want je vond de liefde die als geestkracht door alle tralies van de wereld waait, de sleutel die iedere gevangenis opent en zelfs slavendrijvers bevrijdt van hun eigen eeuwenoude slavernij.’ 
M.M. Uit: De Meester van de Eindtijd , 2011, p. 115-116 en 118-119 

Augustinus: De stad van God 
In de ‘donkere’ Middeleeuwen, overigens lang niet zo donker als menigeen denkt, heerste bij nogal wat mensen op het platteland en in de heidegebieden de idee dat een epidemie een ‘straf van God’ of een creatie van demonen was. 
Van de in Numidië (Noord-Afrika) geboren Aurelius Augustinus (345-430), ook wel Augustinus Africanus genoemd vanwege zijn donkere huid, komen we hierover meer te weten. Augustinus wordt gezien als een van de grootste christelijke denkers en kerkvaders, wiens beschrijvingen van de klassieke cultuur tallozen beïnvloedden, tot in de Middeleeuwen en ver daarna. In zijn vermaarde boek De stad van God (Boek XV) spreekt hij openlijk over de demonische ‘bokkengod’ Pan en over de bos- en veldgod Silvanus, die door verschillende betrouwbare en geloofwaardige mensen waren waargenomen. In sommige mythologische overleveringen is als variant van de god Pan sprake van de god Faunus. Deze ‘goden’ gedroegen zich vaak uiterst onbeschaamd jegens vrouwen en dwongen regelmatig geslachtsgemeenschap met hen af. In de volksmond werden ze incubi genoemd. Waarschijnlijk gaat het hier om chimaera’s (mengwezens), kruisingen tussen ‘gevallen engelen’ en dieren of tussen mensen en dieren (sodomie). In de voorjaarsprocessies van de voorchristelijke mysteriën van Delphi waren het de chimaera’s die de stoet afgesloten. Ook Marco Polo (1254-1324) spreekt in zijn reisverslagen over het bestaan van chimaera’s. 

 
  
De god Pan verscheen bij voorkeur plotseling op een hete zomermiddag aan de plattelandsbevolking en zorgde dan voor grote paniek. Woorden als ‘panische schrik’ of ‘panische angst’ zijn rechtstreeks te herleiden tot de schrik of angst die Pan teweegbracht, speciaal bij vrouwen. In diverse oude verhalen wordt de ‘god’ Pan omschreven als een wellustige demon die het vooral op vrouwen had gemunt. Zijn pansfluit heeft niet voor niets een dubbele betekenis gekregen. De geschiedenis van Pan gaat ongetwijfeld terug op ‘de gevallen engelen’ (wachters), die paarden met de ‘vrouwen der mensen’, waaruit het geslacht der reuzen is voortgekomen. Toen zij echter ook geslachtsgemeenschap hadden met dieren, ontstonden de chimaera’s. In mijn onlangs verschenen manifest Code Rood: Alarm! Mensheid en planeet aarde in gevaar, is hierover meer te lezen. 


 
Augustinus was goed op de hoogte van de ‘gevallen engelen’. Hij ziet ze echter niet als spirituele wezens, maar als afstammelingen van Seth. Dit in tegenstelling tot het lange tijd door de kerk verboden Boek Enoch, waarin sprake is van engelen als spirituele wezens die ‘gevallen’ zijn door hun geslachtelijke omgang met de vrouwen der mensen. Boek Enoch was ook bekend bij de gnosticus en mysticus Mani (216-277), van geboorte Joods en stichter van een wereldwijde gnostisch-christelijke gemeenschap. In Boek IX van De stad van God beschrijft Augustinus de demonen en in Boek X is meer te lezen over de ‘goede engelen’ en de ‘demonen’. In zijn werk besteedt hij veel aandacht aan de rol van de Christus als middelaar tussen God en de mensen. 

Oorlog tussen ‘de kinderen van het licht’ en ‘de kinderen van de duisternis’
In Boek XV schrijft Augustinus uitgebreid over het ontstaan van de dramatische strijd tussen ‘twee gemeenschappen’ ofwel ‘twee steden’, een strijd tussen ‘de kinderen van het licht’ en ‘de kinderen van de duisternis’, Aan de ene kant de gemeenschap van God en zijn getrouwen, aan de andere kant de van God afvallig geraakte engelen en mensen. Deze geschiedenis begint volgens hem bij Kaïn en Abel, ‘de zonen van God,’ waarover Genesis 6 spreekt. Volgens Augustinus waren het geen engelen, geen spirituele wezens, maar mannen uit de nakomelingschap van Seth die ‘huwden’ met de ‘de dochters der mensen’, waardoor een vermenging van beide ‘steden’ of ‘gemeenschappen’ ontstond, wat onder andere tot het ontstaan van het ras der reuzen leidde en een groot moreel en genetisch verval ten gevolge had. Volgens Augustinus besloot God daarom tot de zondvloed en zou hij door de hele geschiedenis van de mensheid heen corrigerend, helpend, ondersteunend en straffend optreden om een totaal verval van de mensheid te voorkomen. Over wie of wat deze ‘God’ nu precies is, zijn de meningen tot de dag van vandaag verdeeld. 

 

In de ‘oorlogsrollen’ van Isaiah (de Dode-Zeerollen) wordt gesproken over een oorlog tussen ‘de kinderen van het licht’ en ‘de kinderen van de duisternis’, een thema dat trouwens in meer religies voorkomt en overal duidelijk laat zien dat de eindoverwinning aan God en de ‘kinderen van het licht’ toebehoort. De Bhagavad  Gita, het meest beroemde boek uit India bijvoorbeeld, beschrijft de dramatische oorlog tussen ‘de kinderen van het licht’ (de Pandava’s) en ‘de kinderen van de duisternis’ (de Kauarva’s), waarin Heer Krishna optreedt als middelaar om die oorlog te beslechten, die zijn oorsprong heeft in de ‘hemelen’. In de Mahabharata  (het ‘grote heldenepos’) kunnen we meer hierover lezen. Heer Krishna onderricht vooral hoe de mens door ‘innerlijke opstanding’ tot volledige bevrijding kan komen. 

 

Diepgaande apologie
In 412 begon Augustinus op verzoek van zijn vriend Marcellinus, een hoge ambtenaar van de Romeinse staat, met het schrijven van zijn boek De stad van God. Marcellinus maakte zich grote zorgen over het toenemend aantal aanvallen op het vroege christendom, vooral vanuit invloedrijke heidense kringen in Rome, die het christendom verantwoordelijk stelden voor de aftakeling van het Romeinse Rijk met zijn vele goden, waarvan Caesar, die zichzelf als een afstammeling van Venus beschouwde, een van de belangrijkste was. De stad van God is in diepste wezen een uitvoerige en diepgaande apologie (verdedigingsleer) van de christelijke godsdienst. Toen Augustinus in 426 zijn grote werk voltooid had, zag een grandioos overzicht van de geschiedenis van het mensdom, aangevuld met diverse toekomstverwachtingen, het daglicht. 

 

Van de vijfde tot de twintigste eeuw trok De stad van God een uitermate groot en veelsoortig lezerspubliek. Talloze christenen, maar ook niet-christenen, monniken en vorsten, filosofen en theologen, geleerden en politici werden geïnspireerd door dit werk, dat veel bewondering en respect genoot. Zelfs de gnostici die het Augustinus kwalijk namen dat hij gebroken had met het gedachtegoed van Mani, door Augustinus onder andere beschreven in zijn Belijdenissen, hadden waardering voor dit magistrale werk. 

 Tekst van Mani
 
Men hoeft het niet altijd eens te zijn met Augustinus om te zien dat De stad van God niet alleen een boek van centraal belang is in de geschiedenis van Europa, maar ook een werk waaruit we meer kunnen begrijpen over de ‘val van de mens’ en de mogelijkheid  van zijn ‘opstanding’. Dat in onze tijd stripverhalen en tweets vaak een grotere invloed lijken te hebben dan overgeleverde wijsheid, zegt meer over het voortschrijdende cultuurverval dan over de diepe inzichten van Aurelius Augustinus. Wellicht zijn we in de loop der tijden niet alleen onszelf vergeten, maar vooral hét Zelf. In zijn Belijdenissen, boek X, beschrijft Augustinus dit als volgt: 

‘En de mensen bewonderen de hoogte van de bergen, de geweldige golven van de zee, de brede stromen van de rivieren, de uitgestrektheid van de oceaan en de omwentelingen van de sterren, maar vergeten zichzelf’. 

  

Het was de Italiaanse dichter, prozaïst en humanist Francesco Petrarca (1304-1374) die in 1336 op de top van de Mont Ventoux deze passage voorlas aan zijn broer Gherardo, die als eerste de top bereikte. Gherardo beleefde een ‘innerlijke opstanding’ en werd monnik. Francesco, die in Rome de ‘dichterskroon’ ontving, zal heel zijn leven in vertwijfeling blijven tussen de ‘top’ en de ‘voet’ van de berg. Wie echter de Bergrede van de Christus vanuit zijn hart verstaat, heeft ‘voet’ en ‘top’ verenigd in Bewustzijn. Francesco kon uitermate fraai schrijven over het eenzame leven, maar zijn ogen hadden meer ruimte nodig dan die van een kloostercel. 

 

‘Pandemonie’
Pan staat voor het kwaad, de duivel, de diabolos, de verstrikker, ‘hij die alles verwart’, bewust dooreen haalt, waardoor maar al te vaak waarheid tot leugen wordt en leugen tot waarheid. 
Als in de Middeleeuwen een epidemie of pandemie optrad, betekende dit voor hen die wat dieper over het leven nadachten, dat het natuurlijke evenwicht in de natuur of in de menselijke samenleving grondig was verstoord. Alles is met allen verbonden. Als de Universele Wet, die het leven beschermt, wordt geschonden, ondervindt men vroeg of laat de gevolgen ervan. 
Wat men zaait, bewust of onbewust, oogst men. Het is de wet van oorzaak en gevolg, die in het hindoeïsme, maar vooral door de Boeddha buitengewoon diep is uiteengezet. Later onderrichtte ook Jezus deze wet, die vooral bekend was bij de Essenen. (De eigenlijke naam van Jezus was Yehoshua, ook wel geschreven als Jeshua, dat ‘de Heer is redding’ betekent.) 

 

Volgens de Griekse arts Hippocrates (460-ca.377 v. Chr.), de ‘vader van de geneeskunde’, staan epidemieën in relatie tot een verstoring in de natuur, speciaal in relatie tot verstoringen in het het geestelijke en fysische klimaat. Hij beschouwde iedere ziekte vanuit het geheel. Verbonden aan de artsenschool van Cos, onderrichtte hij zijn leerlingen in de levenswetten en liet hen ‘de eed van Hippocrates’ afleggen, die een hoge moraal vereiste. Artsen leggen deze eed nog altijd af, al lijkt het er wel eens op dat sommige artsen ‘de eed van Hypocritus’ hebben afgelegd. Later bevestigde de ‘goddelijke’ (divinus) arts Claudius Galenus (ca.130-210), lijfarts van de wijze Romeinse keizer Marcus Aurelius, het werk van Hippocrates en zorgde voor de verspreiding ervan. Toen echter de Zwitserse controversiële arts en alchemist Paracelsus (1493-1541) het in zijn colleges te Bazel waagde scherpe kritiek te geven op Galenus, kostte hem dat zijn baan. Toch wist ook hij dat epidemieën een verstoring van het natuurlijke evenwicht symboliseren en vooral een breuk inhield met de spirituele wereld. 

 

Het ‘levensreddende vaccin’ 
Zeker, er zijn talloze oorzaken te bedenken van allerlei ziektes en van de catastrofale gevolgen van bepaalde bacteriën en virussen. Louis Pasteur en Robert Koch hielden zich daar in de negentiende eeuw intensief mee bezig, helaas nogal eens gedreven door ambitie en de zucht naar roem. Bij hen werd op een gegeven moment het vaccin hét reddende middel.
Bij het ontstaan van de farmaceutische industrie gebruikte men in plaats van de planten als basis voor het vervaardigen van geneesmiddelen (pharmakos = Grieks voor plant) steeds meer chemische substanties, die het lichaam kunnen vergiftigen. Vaccins bijvoorbeeld bevatten niets plantaardigs meer. Momenteel worden er zelfs in zeer snel tempo miljarden ‘veelbelovende’ vaccins aan de lopende band geproduceerd met mogelijk levensgevaarlijke gevolgen vanwege o.a. het gebruik van gen- en nanotechnologie. Medici van internationale naam en faam, zoals dr. Sherri Tenpenny, dr. Vernon Coleman en dr. Geert vanden Bossche hebben ons hier uitdrukkelijk opmerkzaam op gemaakt.

Het ‘levensreddende vaccin’, eindeloos vanachter gemaskerde gezichten aangeprezen door ‘gezondheidsambtenaren’ en politici, lijkt de nieuwe panacee te zijn. Maar de exacte samenstelling ervan wordt stilgezwegen. Bovendien wenst de farmaceutische industrie op geen enkele wijze enige verantwoordelijkheid te dragen voor eventuele schadelijke ‘bijwerkingen’, zoals een plotselinge dood, hartaandoeningen, hersenbeschadigingen, trombose. Ook hier wordt nauwelijks over gesproken en worden de cijfers gemanipuleerd.
Om ‘terug te kunnen keren naar normaal’ moet de kwaadaardige reusachtige octopus die coronapandemie heet, verslagen worden door het ‘levensreddende vaccin’. 
Het uiterst intelligente immuunsysteem van de mens wordt niet alleen stap voor stap bedreigd door een onheilzame levenswijze, verkeerde voeding, te weinig beweging en het vaak ontbreken van een spiritueel levensdoel, maar wordt tijdens deze pandemie vooral onderworpen aan de grillen van Big Pharma die jaarlijks haar perverse rituele miljardendans uitvoert rondom de bijna sacraal verklaarde ‘nieuwe generatie vaccins’.



Deze vaccins zouden wel eens de dodelijke slag kunnen betekenen voor het door de Schepper van alle leven aan de mens meegegeven immuunsysteem, dat de mens in goede gezondheid houdt en ziektes die door bepaalde verstoringen in relatie tot de natuur zijn ontstaan, op een natuurlijke wijze ‘bestrijdt’ en geneest. Het herstel van het natuurlijk evenwicht is hierbij van primair belang.

Moreel verval en werkelijke verlossing
Maar woorden als Schepper en schepping zijn kennelijk nog meer taboe dan wat zogenaamde complottisten na grondig onderzoek vanuit hun vakgebied naar voren brengen. Op dit moment voltrekt zich in de wereld een moreel verval op allerlei gebied. De totale negatie van de Universele Wet leidt er uiteindelijk toe dat ziektes, conflicten en oorlogen, hoe ze ook zijn ontstaan, alleen maar toenemen. Hierdoor wordt de fundamentele bevrijding van het lijden van talloze mensen steeds meer tegengehouden. 
Niet alleen het voortbestaan van de mensheid wordt ernstig bedreigd, maar ook kunnen duistere krachten in snel tempo steeds meer hun boosaardige plannen realiseren. Pas als het ware inzicht doorbreekt in de menselijke geest hoe ziekte, lijden en dood ontstaan, pas als er innerlijk gehoor wordt gegeven aan de spirituele kosmische wetten en het innerlijk pad betreden wordt, dan kan er pas sprake zijn van ware bevrijding, werkelijke verlossing, een waarachtige innerlijke opstanding, een ‘paaswake’ die uitmondt in de definitieve overwinning van de dood. ‘Dood, waar is je angel’, zegt Paulus in 1 Korintiërs 15:55. 


 
Door stapsgewijs de Universele Wet te schenden en een eigen weg te willen volgen, aangestuurd door steeds weer nieuwe verlangens, raakte het contact met het geheel steeds meer verloren, degenereerde het leven, kwamen ziekte, lijden en dood in de wereld en ontstond er een breuk tussen ‘hemel en aarde’. Dit is inherent aan het scheppingsgebeuren vanwege de aan de mens geschonken vrije wil en de daaraan verbonden mogelijkheid tot het maken van keuzes, ook al ontkennen in onze tijd steeds meer wetenschappers het bestaan van de vrije wil.

Breuk tussen ‘hemel en aarde’
De breuk tussen ‘hemel en aarde’ kan alleen maar geheeld worden door terug te keren tot de levenbeschermende Universele Wet. In het Genesisverhaal wordt de breuk tussen ‘hemel en aarde’ gesymboliseerd in het niet meer willen ‘eten’ van de vruchten van ‘de levensboom’ (de Universele Wet), maar van die van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’ (de boom van dualiteit). (Meer hierover in mijn boekje Van levensboom tot kruis.) Deze breuk leidde tot de dramatische ‘val’ van de mens in de dualiteit, waarbij ‘de oorlog die in de hemelen uitbrak’ als gevolg van het wangedrag van ‘de gevallen engelen’ een centrale rol speelde.



(Zie hiervoor het manifest Code Rood: Alarm!). De dualiteit openbaart zich zelfs in ons lichaam: twee hersenhelften, twee oren, twee neusgaten, twee lippen, twee longen, twee ribben, twee hartkamers, twee zaadballen / twee eierstokken, twee benen, twee voeten.

Wedergeboorte
Jezus onderricht in logion 22 (twee maal twee!) van het evangelie van Thomas dat we het Rijk, een poëtische naam voor Bewustzijn of het Zelf, weer kunnen realiseren als we de twee tot één maken. In de Indiase advaitatraditie is dit een heel bekend thema, uitgewerkt in verschillende upanishads. Pas als we ons weer richten naar de levenbeschermende Universele Wet, opent zich opnieuw de weg tot het ware spirituele mens-zijn, tot de vereniging met de Vader, het grondeloze Zijn, dat gekenmerkt wordt door absolute vrede en gelukzaligheid in tijdloosheid. Het is een terugkeer naar het hart van het volle leven, beschreven in de parabel van de verloren zoon. (Zie: M.M., Een zaaier ging uit. Over de parabels van Jezus, deel 1, 20102, p. 144-169.) Tijdens de terugkeer naar huis transfigureert ons stoffelijk lichaam tot een ‘geestelijk lichaam’, waarna de ultieme realisatie, de vereniging met ‘het Licht van alle werelden’, de Christus, het eeuwige Zelf, zich kan voltrekken. Het is een wedergeboorte die tot innerlijke opstanding leidt. In ieder mens is de innerlijke christos aanwezig, in de evangeliën de ‘christos in ons’ genoemd, ‘het grootste mysterie’ van het bestaan.  



Het spirituele hart: van Bethlehem naar Golgotha
Welke farmaceut, epidemioloog, viroloog, politicus of bankier is hiervan op de hoogte? Wie van hen is bereid om hetgeen de Christus gezegd én voorgeleefd heeft, diepgaand te onderzoeken in het laboratorium van zijn hart? Wie van hen heeft de moed om dieper te kijken dan zijn meest geavanceerde elektronenmicroscoop reikt? Een dergelijk onderzoek kan alleen maar plaatsvinden in het spirituele hart, in de taal der mysteriën ‘Bethlehem’ genoemd, Hebreeuws voor ‘voedingshuis’. Immers, het is in het hart waar via het bloed de spirituele voeding uit de ‘hemel’, ‘manna’ genoemd, wordt omgezet in puur licht.



Manna is de werkelijke ‘spijs’ die genuttigd werd tijdens het Laatste Avondmaal van de Christus met zijn leerlingen. Ook voor ieder van ons die loskomt van alle ‘wereldse maaltijden’, de eindeloze verlangens, breekt ooit de dag van het laatste avondmaal aan. Het hart is veel meer dan een ‘holle spier’. Het is het belangrijkste orgaan in ons lichaam, dat een veel sterkere uitstraling heeft dan het hoofd, in de mysteriën Golgotha (schedelplaats) genoemd. In de voorchristelijke mysteriën was hierover al veel bekend. Doordat tijdens de kruisiging van Jezus ‘de sluier van de tempel uiteenscheurde’, konden de lang verborgen mysteriën (geheimenissen), speciaal die van het hart, geopenbaard worden aan iedereen ‘van goede wil’.
 
Jezus zei: ‘Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.’ (Matth. 6:21)
Maar de meeste mensen verzamelen liever ‘de schatten van de wereld’ en missen zo ‘de schat in de akker’ (het lichaam): het spirituele hart. (Zie: M.M. , De laatsten zullen de eersten zijn. Over de parabels van Jezus, deel 2, 2001, p. 104 -126.) Velen zijn beter thuis in kunstharten dan in de geheimenissen van het hart. Menig ‘gelovige’ begrijpt niet eens meer een icoon, gebrandschilderd raam, schildering, of beeld, waarin de Christus is afgebeeld met een groot stralend hart. De heilig hartbeelden van Jezus symboliseren de Christus die de wereld het meest kostbare van Zichzelf heeft geschonken: de universele liefde vanuit zijn spirituele hart. 
Pas als het Christusbeginsel in ons ontwaakt en tot volle bloei komt, wordt werkelijke bevrijding mogelijk. ‘Zalig de zuiveren van hart’ , zegt Jezus in de Bergrede en Paulus schrijft in zijn Brief aan de Romeinen dat de werkelijke besnijdenis er een is van het hart. (Rom. 2:29)
In het soefisme, bij Rumi bijvoorbeeld, wordt het spirituele hart herhaaldelijk in relatie gebracht tot Zelfrealisatie. ‘Brahman woont in de holte van uw hart’, zeggen de upanishads. En in het mahayana-boeddhisme is sprake van ‘de harteleer’ van de Boeddha, veelal vergeten in het theravāda-boeddhisme, dat zich er vanuit ‘de leer der ouden’ op beroept de oudste traditie van de Boeddha weer te geven.

 

Een goed bericht
Om God te verwerkelijken is gnosis (kennis van het hart) nodig. Dan komt het Woord, het eeuwige AUM tot manifestatie in ons en verdwijnen alle ideeën en beelden over wie of wat God is. De goddelijke essentie in het hart, volgens de gnostische leringen gezeteld in ‘de top van de rechterhartkamer’, dient eerst tot ontwaking, tot ‘opstanding’ te komen in ons lichaam, door Plato ‘het graf van de ziel’ genoemd. 


 
Vanuit de taal der christelijke mysteriën beschouwd, is dit ‘graf’ afgesloten met een ‘grote steen van onwetendheid’. Pas als deze is weggerold, wordt het mysterie van de opstanding in volle glorie zichtbaar. De innerlijke Christuskracht is tot werkzaamheid gekomen, waardoor de in het lichaam gevangen ziel tot volledige bevrijding kan komen en de breuk tussen ‘hemel en aarde’ van binnenuit geheeld kan worden. Er is dus een echt ‘goed bericht’, een uiterst ‘goed bericht’ zelfs! Het Nederlandse woord ‘evangelie’ is afkomstig van het Griekse woord eu aggelion, dat letterlijk ‘goed bericht’ betekent. Laten we ons vertrouwen niet stellen op zogenaamde wijzen en geleerden, op schriftgeleerden en redetwisters, waarvan Paulus zei: ‘Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt?’ (1 Kor. 1:20) Laten we volkomen vertrouwen hebben in de enige echte panacee, het bewandelen van het pad van Bethlehem naar Golgotha, verborgen in de tijdloze kerst- en paasmysteriën. Wat zei Jezus ook al weer? ‘Wie zal in de eindtijd mijn naam nog durven te noemen?’ 

 

Hora est
‘Hora est!’ Het is tijd, de hoogste tijd! Deze woorden klinken als een alles doordringend bazuingeschal dat overal ter wereld hoorbaar is.
In plaats van dat de mensheid geestelijk ‘voedsel’ en ‘levenswater’ ontvangt, wordt haar dagelijks door een diabolische machtselite giftig voedsel aangereikt. Deze machtselite wil de mensheid ‘decimeren’ en de ‘overblijvers’ tot slaaf maken in haar nieuwe wereldorde. Omdat de meeste mensen helaas niet inzien dat er een fundamentele breuk is ontstaan in hun spirituele leven in relatie tot het heel en het al, hebben ze hun gezondheid uitgeleverd aan een kaste van wetenschappelijke hogepriesters, die meer over bacteriën, virussen en vaccins weet dan over de Universele Wet in relatie tot de helende en liefdevolle kracht van het Ene, dé Ene. Een dergelijke kaste kan nimmer bijdragen tot de definitieve bevrijding van ziekte, lijden en dood. Ook verstarde godsdiensten en religieuze stromingen zijn daar niet toe in staat. Ze hebben triest genoeg bijna allemaal in heel de wereld bijgedragen aan strijd, oorlog, twist, foltering, inquisitie. Tallozen leven in verwarring. 
Pas als het hoofd zich neervlijt in het hart, wordt de fluistering van het mysterie gehoord en opent zich het innerlijk pad van Bethlehem tot Golgotha, de weg van de spirituele wedergeboorte, die ons voorgoed bevrijdt van het rad van geboorte, ziekte, lijden en dood.
 
‘Welke arts kan genezen
zonder het medicijn
van het ware inzicht?’
M.M., Klein Testament of hoe je verlichting vermijdt, 2013, p. 82

Meer over het mysterie van Bethlehem tot Golgotha is te lezen in de drie delen ‘Over de parabels van Jezus’, die ik de afgelopen jaren schreef. Ook in de komende Nieuwsbrieven zal regelmatig naar deze delen verwezen worden. In overleg met mijn uitgever is daarom besloten deze drie delen een aantal maanden tegen gereduceerde prijs aan te bieden. (Zie bijgevoegde advertentie.) In zo’n 900 pagina’s kunt u lezen over het leven van Jezus (Jeshua) en het Christusmysterie. Drie rijk geïllustreerde boeken, waarin gnostische teksten, teksten uit de canonieke en niet-canonieke (apocriefe) Bijbelboeken, leringen van de Essenen en van de katharen en mystieke overleveringen u meer inzicht hopen te geven in het spirituele leven. 

 

Marijke en ik wensen u van harte ‘zalig Pasen’ toe, in het besef dat dit feest ter gedachtenis aan de opstanding van de Christus tot voorbeeld moge dienen voor onze eigen innerlijke opstanding. 

Marcel Messing, Pasen, ‘Goede Vrijdag’, 2021