Inzicht en overgave:
twee wegen in één
 


Hoe verhouden inzicht en overgave zich tot elkaar? Waar geef je je aan over als je Zelf samenvalt met alle verschijnselen? Aan de hand van een veelheid van verwijzingen naar de mystieke wereldliteratuur probeert Marcel Messing antwoord te geven op deze vraag. ‘Overgave is slechts een hulpmiddel om inzicht te realiseren. Het is een trede van een denkbeeldige trap die oplost als leegte zich openbaart.’

‘Hoe kan inzicht verkregen worden? Hoe kan bevrijding worden bereikt? Hoe wordt onthechting gerealiseerd?’[1] Zo luidt de eerste vraag van koning Janaka aan Ashtavakra, beschreven in de Ashtavakra Samhita, een diepgaande advaita-tekst. Inzicht is de sleutel waarmee toegang verkregen wordt tot het eeuwige Zelf, ook wel brahman genoemd, essentie van al wat is, Bewustzijn. Het universum is de zichtbare manifestatie van Bewustzijn. Vrij, niet gebonden aan eigenschappen (guna’s), is Bewustzijn altijd geweest en zal het er altijd zijn. Onnoembaar, onbeschrijfelijk, buiten tijd en ruimte en toch in tijd en ruimte, overstijgt Dat wat is alles wat binnen het veld der opinies bestaat. 

De mens die tot zelfverwerkelijking komt, verwerkelijkt in feite niets, maar wordt bevrijd van de waan iemand te zijn, een ik. Daardoor is hij niet meer gebonden aan de vruchten van zijn handelingen en treedt hij niet meer op als handelend persoon. Hij is een instrument waarmee de ene werkelijkheid zich manifesteert, gesymboliseerd in Krishna die de fluit bespeelt en door zijn adem alle leven bezielt. Als het Zelf oplicht in de vermeende individualiteit, is er sprake van ‘zelfrealisatie’, een verlegenheidswoord, want het Zelf kan zich nimmer realiseren omdat het de enige realiteit is. Wat tijdloos is staat los van realisatie. Fihi ma Fihi zegt Rumi: ‘Het is wat het is.’

Pseudo-inzichten   
Alles is één. Dat is het hoogste inzicht. Er is geen twee, tenzij voor het individu, voor het denken dat splitst. Voor meester Eckhart valt de essentie van de mens samen met God. Als de druppel in de zee vloeit, het individu zichzelf verliest in de ‘oergrond’, verdwijnt iedere dualiteit, ook die van zien en gezien worden. ‘Het oog waarin ik God zie, is hetzelfde oog waarin God mij ziet. Mijn oog en Gods oog, dat is één oog en één zien en één liefhebben.’
[2] Wil de ziel God kennen, dan moet zij hem kennen boven tijd en ruimte uit, zegt Eckhart. ‘Want God is niet dit of dat, zoals de vele aardse dingen dit of dat zijn: God is één.’[3] 
Wie naam (nama) en vorm (rupa), het tijdelijke, verwart met het ontijdelijke, leeft in illusie, in onwetendheid (avija); die heeft geen inzicht en zit gevangen in een beperkte werkelijkheid. Dat leren de Boeddha en de Upanishads, dat leren alle wijsheidsgeschriften, dat vertellen ons alle wijsheidsmeesters.

Als Asthtavakra aan het Hof van koning Janaka komt, ontstaat er grote hilariteit om zijn achtvoudige lichaamsvervorming. Als Ashtavakra nog luider lacht dan de geleerden (pundits) en ‘wijzen’, is koning Janaka uitermate verbaasd en vraagt hij naar het waarom. Ashtavakra ontmaskert de pseudo-inzichten van de geleerden en wijzen. Zij blijken niet eens het onderscheid te kennen tussen vorm en Bewustzijn. ‘Als de aardewerken pot gebroken is, is dan de ruimte daarin gebroken? Mijn lichaam mag dan wel misvormd zijn, maar “Ik” ben oneindig en onmetelijk [Bewustzijn],’
[4] luidt zijn antwoord.
Er is alleen maar het Zelf, geen hoger of lager zelf. En vrijheid is niets anders dan de manifestatie van het Zelf. Zolang de kennis van het Zelf ontbreekt en alleen de wereld gekend wordt via het verstand en de zintuigen, is men onwetend, maakt Uddālaka zijn zoon Svetaketu duidelijk in de Chāndogya Upanishad. Macrokosmos en microkosmos omhelzen elkaar in het hart. Wie alles weet, behalve het Ene, zo zegt de soefi, weet niets. Lijden ontstaat door identificatie met naam en vorm en brengt het rad van geboorte en dood in beweging, omdat er de illusie is dat men een persoon is. Het Zelf kent geen geboorte of dood, is alwetend en meester van tijd en ruimte. Het Zelf is de onberoerde getuige. Het hoogste inzicht dat een mens kan realiseren is het tat tvam asi: ‘Gij zijt Dat’. Vanuit Bewustzijn zijn we onverbrekelijke eenheid, ‘Ik [het Zelf] en de Vader [het grondeloze Bewustzijn] zijn één,’ zegt Jezus. (Johannes 10:30) 

De dammen van het tijdelijke    
Het gaan van een pad bestaat uit niets minder dan het afleggen van alle illusies. ‘Waarheid is een land zonder pad,’ zei J. Krishnamurti al. In verlichting wordt niets gewonnen. Integendeel. Je raakt alles kwijt wat je niet bent. Dan pas is er vrijheid en gelukzaligheid, die niet te vergelijken is met de pseudo-vrijheid en het korte genot van de persoon. Inzicht ontstaat niet door de zintuigen op de wereld te richten. Zoals een schildpad zijn poten in kan trekken, zo kan een mens zijn zintuigen ‘intrekken’, de vijf paarden van zijn koets ‘temmen’ en de leidsels van zijn wil aan Krishna, het goddelijke in ons, overgeven.

Het is het centrale thema in de Bhagavad Gita. Deugden als oprechtheid, vriendelijkheid, vergevingsgezindheid, mededogen, geduld, door alle grote leraren onderricht, werken als ‘oplossers’ van de ik-waan. Daardoor worden de sluizen opengezet voor Bewustzijn, het vormeloze, en breken de dammen van het tijdelijke door. Inzicht manifesteert zich als het zijn. Het achtvoudig pad van de Boeddha begint niet voor niets met het leren verkrijgen van het ‘juiste inzicht’ dat alles wat naam en vorm heeft onbestendig is, dat de idee van een ‘ik’ een waan is en dat lijden ontstaat als ‘het dodeloze’ niet gemanifesteerd wordt. Onthechting aan vormen, lichaam en objecten keert in alle wijsheid terug, van Patanjali in zijn yoga-soetra’s tot ‘de leegte der dingen’ van Lao Tse. Als ‘de wolk van niet-weten’ oplost, is er het schitterende stralende Licht.

Maya
(Skr. voor ‘begoocheling’, ‘illusie’, ‘verschijning’) is niets anders dan de wereld waarnemen vanuit een vermeend ik. Het getuigt niet van inzicht. Maya is de sluier waaronder brahman zich verhult. Deze sluier begoochelt onze zintuigen, zodat we niet meer helder waarnemen, niet het juiste inzicht hebben. Daardoor verliezen we het besef van de onverbrekelijke eenheid van alle zijn en wordt de blik gericht op de veelheid der dingen.

'Eeuwig ebben en vloeden'          
Wat hebben inzicht en overgave met elkaar te maken? Waar geeft men zich aan over als er in feite niets (niet iets) is waaraan ‘iemand’ zich kan overgeven? Overgave is slechts een hulpmiddel (upaya) om inzicht te realiseren. Het is een trede van een denkbeeldige trap die oplost als leegte (wat hetzelfde is als volheid) zich openbaart. Het Zelf is in alles en allen in één. Het pad dat iemand gaat, houdt op als de top van de berg is bereikt en het koord van de horizon oplost.
Eeuwenlange conditionering heeft ons het idee gegeven dat we geboren zijn, een man of vrouw zijn, een geloof ‘hebben’ en status, huis, land, kinderen enzovoorts. Dat alles dienen we te ‘verkopen’, los te laten, op te geven. Allemaal waan. Bewustzijn, oneindige geest, ongeborenheid, zijn, dat is onze ware natuur. Het besef hiervan kan alleen maar onmiddellijk zijn en is ‘ieders’ natuurlijke staat van zijn. Het hoogste inzicht is tegelijkertijd alledaags. Het is het enige wat waarde heeft en toch geen waarde op zichzelf vertegenwoordigt. ‘Eeuwig leven’ is niets anders dan de realisatie van het tijdloze ongebonden Zijn, dat tegelijkertijd Bewustzijn en Gelukzaligheid is (sat chit ānanda). Wie zijn ik-gericht leven verliest, realiseert het eeuwige zijn. In de overgave heeft het ‘ik’ zichzelf geschouwd als een wegdrijvende wolk in de onmetelijke blauwe hemel. Inzicht en overgave zijn twee wegen in één.

Oceaan en golven zijn met elkaar verbonden. Vormen verschijnen en verdwijnen als een ‘eeuwig ebben en vloeden.’ (Jan van Ruusbroec) Inzicht voegt alle scherven van dualiteit en vermeende veelheid onmiddellijk in één. Bewustzijn is in alles en allen, maar ongehecht.
‘Het gehele universum is van Mij [het Zelf] doordrongen in mijn ongemanifesteerde vorm [Bewustzijn]. Alle wezens bestaan in Mij, maar Ik [het Zelf] verblijf niet in hen,’
[5] zegt de Bhagavad Gita. Het Zelf is nimmer geïdentificeerd met enige vorm, ‘verblijft’ er niet in. Ik ben Dat betekent niets anders dan dat er buiten het substraat van het Zelf niets is.

De waan van het eigen willen       
In Over het bovenzinnelijke leven. Een samenspraak van een leraar met zijn leerling laat de mysticus Jacob Boehme de meester zeggen: ‘Als de zinnen en de wil van uw persoonlijkheid zwijgen, wordt in u het eeuwige horen, zien en spreken openbaar, en hoort en ziet God door u. Uw eigen horen, willen en zien verhinderen u God te zien en te horen.’
[6]
En iets verder zegt de meester: ‘Als ge stil zijt, zijt ge dat wat God vóór natuur en schepsel was en waaruit Hij u als natuurlijk schepsel schiep. Dan hoort ge en ziet ge met datgene waarmee God in u zag en hoorde eer uw eigen willen, zien en horen werkzaam waren.’
[7]  Boehme spreekt herhaaldelijk over God als een ‘eeuwig niets’, een ‘niet iets’, ondefinieerbaar, onnoembaar, voorbij alle ideeën en ervaringen. Het is ons eigen willen, het verlangen van onze zintuigen om te kennen, dat de manifestatie verhindert van Dat wat door ons handelt, ziet, hoort, voelt en proeft, hetgeen ook in vele Upanishads te lezen is.
In zijn preek ‘Over de ware armoede’ zegt Eckhart: ‘Als iemand mij nu zou vragen wat het dan wel is, een arme mens die niets “wil”, dan antwoord ik daarop het volgende: zolang het een mens nog aankleeft dat het zijn “wil” is de allerliefste wil van God te willen vervullen, zolang heeft hij niet die armoede waarover wij spreken. Want deze mens heeft nog een wil waarmee hij aan de wil van God wil voldoen, en dat is géén echte armoede. Wil de mens immers waarlijk armoede hebben, dan moet hij even leeg zijn van zijn geschapen wil als hij was toen hij er nog niet was. Want ik zeg u, bij de eeuwige waarheid: zolang gij de wil hebt om de wil van God te vervullen en verlangen hebt naar de eeuwigheid en naar God, zolang zijt gij niet echt arm. Want alleen hij is een arm mens, die níets wil en níets begeert. Toen ik nog in mijn eerste oorzaak stond, had ik geen God en was ik oorzaak van mijzelf. Ik begeerde niets; ik wilde niets, want ik was een louter zijn en kenner van mijzelf in het genot der waarheid. Ik wilde mijzelf en wilde anders niets; wat ik wilde, was ik, en wat ik was, wilde ik. Hier stond ik leeg van God en alle dingen.’
[8] De eigen wil is de grootste hinderpaal tot inzicht.

Het idee dat God een ‘wil’ heeft is wellicht een van de taaiste concepten in de westerse theologie, mede ontstaan door onjuist begrepen teksten, zoals: ‘Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ De Veda’s spreken over ‘Brahman met eigenschappen’ (saguna-Brahman) en Brahman ‘zonder eigenschappen’ (nirguna-Brahman). ‘Brahman met eigenschappen’ komt tot uitdrukking in de scheppende kracht (Brahma of Ishvara), die verbonden is met de drie gunas (tamas, rajas en sattva): drie kwaliteiten van energie die in relatie staan tot prakriti (de manifeste wereld van vorm en naam). Het westerse begrip God benadert dit. ‘Brahman zonder eigenschappen’ is het Ene zonder tweede, het Zelf, Bewustzijn, dat aan niets en niemand gebonden is, maar toch alles doordringt. Het komt overeen met het Chinese begrip Tao en het woordje ‘Vader’ van Jezus.

Overgave en het hart      
Inzicht is wezenlijk om Zelfkennis te realiseren. Bij overgave wordt het hoofd in het hart gelegd. De denker als splitser van de Eenheid of het Ene verliest zijn positie. Hij wordt ‘onthoofd’ en in de ‘holte van het hart’ dooft het eigen willen uit en lossen alle vragen op. Bakhti-yoga is een van de paden die tot realisatie leiden. Daarbij speelt de liefde tot God als persoon een centrale rol, waarbij uiteindelijk iedere vorm overstegen wordt. De persoon is instrument tot deze realisatie. Het Latijn per-sonare betekent ‘doorheen klinken’. Pas door de persoon die tot ‘overgave’ is gekomen, klinkt de klank van het Ene heen.
Niet door zich kunstmatig op de grond te werpen voor een goeroe of voor een beeld van God, al dan niet richting Mekka, Jeruzalem, Rome, niet door een ingestudeerd knielen en opstaan, maar door inzicht, soms in samenspel met overgave, gaat een mens ‘door de knieën’, geeft hij zich over aan het Ene. Het woordje islam is Arabisch voor overgave [aan God]. In het soefisme vormt overgave een belangrijk middel om tot God te komen en is het de beker met ‘de wijn van de geest’ die inzicht verschaft, waardoor men ‘dronken’ wordt van God, zoals bijvoorbeeld Omar Khayyam in zijn Rubáiyát beschrijft.

Meditatie als geconcentreerde aandacht en gebed als een weg tot ingebed worden, kunnen belangrijke hulpmiddelen zijn om degene die mediteert of bidt als doener te laten verdwijnen. Devotie manifesteert zich daar waar de devote mens afwezig is. Waar nog een verlangen naar resultaten is, is een hechten aan de vruchten ervan aanwezig. Als de ‘liefde tot God’, de essentie van de devotie of bhakti overvloeit in het besef ‘God is liefde’, en het besef ontstaat dat wij die liefde (als niet-ego) zijn, lost devotie op. De yogi die in navolging van Bodhidharma jarenlang voor een muur mediteert om tot verlichting te komen, kan zijn weg aanzienlijk ‘inkorten’ door meteen de muren in de eigen geest te slechten. Uiteindelijk geldt dat ‘niet-weten’ de weg opent voor alwetendheid. Maar die heeft niets met iemand die weet te maken. ‘Ik weet dat ik niet weet,’ zei Socrates terecht, en de Upanishads verkondigen dat het besef niet te weten het begin van waarachtig weten is. 

Inzicht en overgave vormen de schering en inslag van een en hetzelfde tapijt. De onzichtbare wever wordt zichtbaar in het weefsel, in de schoonheid en het kleurenspel ervan. Zo’n tapijt kan niemand bezitten. In de stormachtige overgangstijd waarin we nu leven (kali-yuga) en waarin indrukwekkende veranderingen in de vorm plaatsvinden en nog zullen gaan plaatsvinden, zal het voor eenieder een test zijn op welk tapijt hij/zij zit. ‘Buiten westen’ op een oosters tapijt of gedesoriënteerd op een westers tapijt? Ex Oriente Lux? Of: er is alleen maar Licht?



© Marcel Messing
Dit artikel verscheen in het tijdschrift InZicht, november 2011 (jrg. 13, nr. 4)
 

[1]  A Duet of One. The Ashtavakra Gita Dialogue, Los Angeles, 1989, p. 12.
[2]  Eckhart, Van God houden als van niemand, Haarlem, 1975, p. 63 (preek 7). 
[3]  Idem, p. 102 (preek 15). 
[4]  A Duet of One, p. 11.  
[5]  The Bhagawad Geeta or the Art of Right Action, Bombay, 19673, p. 234.
[6]  Haarlem, 1983, p. 9.
[7]  Idem.
[8] Eckhart, p. 95 (preek 14).