De keizer en de nachtegaal



In het sprookje De keizer en de nachtegaal van de Deense schrijver Hans ChristianAndersen (1805-1875) wordt ons een eenvoudige maar diepzinnige les geleerd. Het gaat over de Chinese keizer, die in een schitterend paleis woonde, omgeven door prachtige tuinen die gelei­delijk overgingen in een statig bos. In dat bos woonde een nachtegaal die zo adembenemend mooi zong dat 'zelfs de arme visser, die iedere avond zijn netten op kwam halen, altijd even bleef luisteren'. 
Uit de hele wereld kwamen reizigers naar de Chinese hoofdstad om het keizerlijke paleis en de prachtige tuinen te bewonde­ren, maar het liefst van alles luisterde men naar de betoverende zang van de nachte­gaal. Tientallen geleerde mannen gingen boeken schrijven over de keizerlijke stad en het meest van alles werd de nachtegaal bejubeld. Wereldberoemde dichters maak­ten prachtige verzen over 'de verrukkelij­ke nachtegaal in het bos bij de blauwe zee'. 

De betoverende zang van de nachtegaal

Zo kwam het dat op een dag ook de keizer uit een van die boeken vernam dat er in zijn rijk een nachtegaal woonde die schit­terend kon zingen. Hij vroeg de kamerheer waarom hij nog nooit van dit allergrootste wonder van zijn rijk had gehoord, waarop de kamerheer antwoordde: 'Uwe keizerlij­ke Majesteit moet niet alles geloven wat er geschreven wordt. Er wordt zoveel gefan­taseerd.'
Maar de keizer hield voet bij stuk, temeer omdat een van de boeken waarin de nach­tegaal vermeld stond hem gestuurd was door de machtige keizer van Japan. Het kon dus geen verzinsel zijn. De keizer wenste dezelfde avond nog de nachtegaal in zijn paleis te zien, anders zouden na het avondeten alle hovelingen onder de voet worden gelopen. De eerste kamerheer en de hovelingen vroegen iedereen in het pa­leis of ze wel eens van de nachtegaal ge­hoord hadden. Niemand had ervan ge­hoord. Behalve een arm eenvoudig meisje in de keuken, dat zei: '0, ik ken de nach­tegaal heel goed. Hij zingt zó prachtig! Ik breng iedere avond de restjes van de kei­zerlijke tafel naar mijn arme, zieke moeder. Als ik dan halverwege het bos ben en ik rust even uit, hoor ik de nachtegaal zingen. Ik krijg er altijd tranen van in mijn ogen en het geeft me het gevoel of mijn moeder me kust.'
De eerste kamerheer beloofde het keu­kenmeisje te promoveren tot 'opperkokkin van het hof' als ze hem en de hovelingen onmiddellijk naar de nachtegaal bracht. Bovendien zou ze dan iedere avond naar de keizer mogen kijken als deze zat te eten. 

Een loeiende koe en kwakende kikkers

De eerste kamerheer en de hovelingen volgden het keukenmeisje, op zoek naar de nachtegaal.
Totaal vervreemd van de natuur ziet eerst  een hoveling een loeiende koe voor de nachtegaal aan, terwijl de hofprediker in het gekwaak van kikkers, dat volgens hem klonk als het luiden van kerkklokken in de verte, de nachtegaal meent te herkennen. Het keukenmeisje legt hen uit dat het om een koe en kikkers gaat. Uiteindelijk weet het meisje de nachtegaal te vinden. Een grijs vogeltje tussen de takken van een hoge boom.
'Is het waarachtig?' vroeg de eerste kamer­heer. 'Dat had ik nooit gedacht. Hij ziet er zo gewoon uit.' Waarschijnlijk is hij van angst verbleekt bij het zien van zoveel voorname heren.


Zingen voor de keizer

Het keukenmeisje nodigt het vogeltje uit om mee te gaan naar het paleis en voor de keizer te zingen. Hoewel de nachtegaal van mening is dat zijn liedjes het mooist tus­sen de bomen in het bos klinken, is hij be­reid mee te gaan.
In het paleis was alles in gereedheid ge­bracht voor de feestelijke gebeurtenis. De nachtegaal mocht op een gouden zitstang voor de troon van de keizer zitten en 'zong zo verrukkelijk, dat er tranen in de ogen van de keizer kwamen en over zijn wangen rolden'.

De nachtegaal was een groot succes en moest in het paleis blijven wonen. Hij kreeg een eigen kooi en mocht twee keer over­dag en één keer 's nachts een wandelinge­tje maken. Twaalf hofdienaren hadden de zorg over de keizerlijke nachtegaal. Ze hielden alle twaalf een zijden lint vast, dat aan een van zijn tere pootjes was gebon­den, zodat de wandelingetjes buiten de kooi niet bepaald een genoegen voor hem waren. De hele stad raakte niet uitgepraat over de wonderbaarlijke vogel. En het keukenmeisje? Dat was inmiddels opperkokkin geworden.

De kunstnachtegaal van de keizer van Japan

Op een dag kreeg de keizer een groot pak, waarop het woord 'nachtegaal' geschreven stond. Er zat een speelgoedvogeltje in, een kunstnachtegaal die sprekend op de echte leek, maar bezet was met diamanten, ro­bijnen en saffieren.
Als het mechaniekje was opgewonden, kon hij een van de liedjes zingen van de echte nachtegaal. Hij had een smal zijden lint om zijn nekje en daarop stond geschreven: 'De nachtegaal van de keizer van Japan is niets vergeleken bij de nachtegaal van de keizer van China.'
Een poging om de echte en de kunstnach­tegaal samen te laten zingen mislukte, aan­gezien de echte nachtegaal zo zijn eigen manier van zingen had en de kunstvogel al­leen maar keurig de maat kon aanhouden die het mechaniekje had geprogrammeerd. De hovelingen waren erg onder de indruk van de kunstnachtegaal. Ze vonden zijn walsjes net zo mooi als de zang van de echte nachtegaal en sommigen vonden dat hij er veel aantrekkelijker uitzag, 'omdat hij fonkelde als de kostbaarste armbanden en halssnoeren'. Drieëndertig keer zong hij hetzelfde liedje zonder moe te worden. De hovelingen wilden het nog een keer horen, maar de keizer vond dat nu de echte nach­tegaal maar weer eens wat moest zingen. Maar die was intussen weggevlogen ...

'Er ontbreekt iets aan.'

De hovelingen vonden de nachtegaal erg ondankbaar. 'Gelukkig hebben we die an­dere, mooiere nog!', riepen ze blij.
De muziekmeester verzekerde de keizer zelfs dat hij veel mooier zong dan de echte nachtegaal. Niet alleen vanwege zijn fon­kelende diamantpracht, maar ook vanwe­ge zijn mechaniek. 'Want ziet u, hoogedelgeboren dames en heren en uwe keizerlij­ke Majesteit', zei hij, 'bij de echte nachte­gaal moet je maar afwachten wat voor een lied eruit komt, maar bij de kunstvogel weet je het vooruit. Je kunt uitleggen hoe hij werkt en de mensen laten zien hoe het menselijk vernuft de walsjes heeft geconstrueerd en hoe de ene noot precies op de andere volgt!'
Ook het volk was onder de indruk van de kunstnachtegaal. Alleen de arme visser vond dat er iets aan ontbrak en zei: 'Deze vogel zingt heel aardig, maar er ontbreekt iets aan. Ik weet alleen niet precies wát.'

De echte nachtegaal verbannen - de kunstnachtegaal stuk

De echte nachtegaal werd uit het keizer­rijk verbannen, terwijl de kunstnachtegaal op een zijden kussen naast het bed van de keizer pronkte en de titel 'keizerlijke nachtzanger, eerste van links' had gekre­gen. 'De keizer beschouwde de linkerzijde als de voornaamste, want zelfs bij een kei­zer zit het hart links.'
De muziekmeester schreef vijfentwintig dikke, geleerde en onbegrijpelijke boeken over de kunstvogel. Niemand van de hove­lingen had ze gelezen, maar ze deden alsof ze ze allemaal gelezen en begrepen had­den. Zo langzamerhand kenden de keizer, de hovelingen en alle andere Chinese onder­danen het lied van de kunstnachtegaal van buiten en vonden het daarom nog aardiger. Ze konden het zelfs meezingen. Maar na een tijdje knapte er binnen in het vogeltje iets. Het mechaniekje was kapot.
De lijfarts kon het vogeltje niet helpen en de horlogemaker zei dat het vogeltje zo weinig mogelijk gebruikt moest worden, omdat de onderdelen bijna versleten waren en niet vervangen konden worden. Nog maar één keer per jaar mocht de kunstvogel zijn lied zingen en zelfs dat was nog haast te veel. Maar de muziekmeester maakte iedereen wijs dat alles net zo mooi was als vroeger.

De keizer wordt beter door de echte nachtegaal

Na vijf jaar werd de keizer ernstig ziek en lag op sterven. Er heerste een doodse stil­te rondom zijn ziekbed en de keizer ver­langde er hevig naar dat de kunstvogel iets voor hem zou zingen. Maar de kunstvogel zweeg, want er was niemand die hem op­wond. Tot de stilte werd verbroken en de echte nachtegaal op een tak voor het open raam verscheen en een prachtig lied zong.
Hij had gehoord wat de keizer nodig had en zong voor hem van troost en hoop. Terwijl de nachtegaal zong, begon het bloed vlugger te stromen in het verzwakte lichaam van de keizer. Hij kwam weer tot leven door de verrukkelijke zang en schaamde zich diep dat hij de nachtegaal uit zijn keizerrijk verbannen had en wilde hem belonen. Dat hoefde niet, want het mooiste geschenk dat de echte nachtegaal ooit van de keizer gekregen had, waren de tranen in diens ogen toen hij de eerste keer voor hem gezongen had. 'Tranen zijn edel­stenen die het hart van een zanger ver­heugen', zei de nachtegaal.

' ... Ik houd meer van uw hart dan van uw kroon ... '

Door het aanhoudend gezang van deze wonderlijke vogel is de keizer tegen de ochtend hersteld. 'Je moet altijd bij me blij­ven', zei de keizer. 'Je hoeft alleen maar voor me te zingen als je er zin in hebt en die kunstvogel sla ik in gruzelementen.' 'Doe dat niet, Majesteit', zei de nachtegaal. 'De kunstvogel heeft gedaan wat hij kon en hij verdient dat u hem zuinig bewaart. Wat mijzelf betreft ... Ik kan mijn nestje niet in uw paleis bouwen en hier wonen. Maar sta mij toe te komen en te gaan wanneer ik dat wil. Elke avond kom ik op de tak voor uw slaapkamerraam een lied voor u zingen om u op te vrolijken. Ik zal zingen over vreug­de en over verdriet, over het goede en het kwade - over alles wat voor u verborgen blijft. Een zangvogel vliegt overal heen, ­ook naar de hut van een arme visser en naar de eenvoudige boerenhoeve, naar al die mensen die zo ver verwijderd zijn van u en uw hof. Ik houd meer van uw hart dan van uw kroon, al fonkelt en straalt die nog zo prachtig. Ik zal nu nog iets voor u zin­gen, maar u moet me één ding beloven.' Dat deed de keizer.
'Ik vraag maar één ding, Majesteit', zei de nachtegaal. 'Vertel aan niemand dat een nietig, klein vogeltje u allerlei geheimen in het oor fluistert. Het is beter dat geen van uw onderdanen dat te weten komt.'
Toen vloog de nachtegaal weg. De hove­lingen kwamen binnen om hun gestorven keizer de laatste eer te bewijzen en de kei­zer zei: 'Goedemorgen, heren!'

Twee mogelijkheden van bewustzijn

Sprookjes leren ons iets over ons eigen be­wustzijn, over onze relatie tot natuur en kosmos. Wie de symbolentaal van het sprookje intuïtief begrijpt, begrijpt op di­recte wijze de onderliggende werkelijkheid ervan.
De keizer en de nachtegaal verhaalt over twee mogelijkheden om in het leven te staan. Enerzijds wordt ons het bewustzijn van de keizer en zijn hofhouding getoond, anderzijds dat van de arme visser en het keukenmeisje.

Het bewustzijn van de keizer

Het bewustzijn van de keizer is symbolisch voor de mens die zichzelf door een verge­vorderde vorm van civilisatie heeft opge­sloten in een leven van welvaart en weel­de, maar niet meer in staat is rechtstreeks contact te maken met de diepere onder­stroom van het leven, de bezieling van al wat is, gesymboliseerd in de nachtegaal. Niet voor niets heeft het begrip civilisatie (beschaving) zijn oorsprong in de Franse hofhouding. Hoe 'beschaafder' een mens wordt, hoe meer de neiging tot een on­waarachtig leven zich kan ontwikkelen en hoe verder hij van de natuur en van het ge­wone leven (de arme visser en het keu­kenmeisje) komt af te staan. Lao Tze druk­te dat uit door te zeggen dat Tao in een dergelijke situatie afwezig is. De Aborigi­nes van Australië noemen de geciviliseer­de en van de natuur vervreemde westerse mens 'mutanten'.

Kennis van het leven via het boek

De nachtegaal geldt in de mystiek, in het bijzonder in de soefiemystiek, als de ziele­vogel, als de 'geliefde' waarmee wij kunnen versmelten. Het geciviliseerde en verwen­de bewustzijn staat niet meer in relatie tot de natuur, staat niet meer in het volle leven, vertoeft niet meer in de eenvoud van alledag. Vandaar dat de hovelingen en de hofprediker, aspecten van dit bewustzijn, niet eens de nachtegaal herkennen en het eerste het beste dier dat ze horen voor hem aanzien.
Slechts op indirecte wijze verkrijgt het ge­civiliseerde bewustzijn, de keizerlijke mens die verstrikt zit in zijn eigen hofhouding, zijn informatie over het bestaan van de nachtegaal: via het boek, geschreven door geleerden en dichters. De keizer en de hovelingen kennen het bezielde leven niet uit eigen ervaring en weten niet hoe­veel schoonheid erin schuil kan gaan, hoe­veel orde, eenheid en harmonie erin terug te vinden zijn. Ze zijn zo verblind door hun eigen kleurige kleding, hun concepten en opinies over het leven, dat ze de verbor­gen geheimen van de eenvoudige grijze nachtegaal niet meer kennen. Daarom ver­krijgt de geciviliseerde mens zijn kennis over de natuur en de eenheid van het leven ook niet via de directe ervaring in de na­tuur, maar via boeken.

Het bewustzijn van de arme visser en het keukenmeisje

De eenvoudige, nog niet door welvaart en kennis bedorven mens, de arme visser en het keukenmeisje, kennen het bezielde leven wel op directe wijze. Juist omdat zij nog in alle eenvoud in het alledaagse leven vertoeven, hebben ze open oor en oog voor het mysterieuze leven.
De arme visser in het bijzonder symboli­seert de andere mogelijkheid in het be­wustzijn. ('Arm' wil hier zeggen: leeg, ont­daan van alle aanklevingen van het gecivi­liseerde bewustzijn. De visser is arm aan opinies, concepten, visies over het be­staan. Hij is arm aan ceremonies, intriges, listen, feesten en de weelde van het kei­zerlijke hof, die de mens vervreemden van het gewone leven en die zijn oorspronke­lijk bewustzijn versluieren.) Hij is de mens die nog rechtstreeks contact met het be­zielde leven heeft, symbool van het contact met het vloeiende en beweeglijke leven, van de diepte ook, wat tot uitdrukking komt in het element water. De visser is zo met het leven verbonden, dat hij de bezie­ling ervan door en door ervaart en niet uit boeken hoeft te lezen. Hij is in staat om da­gelijks naar de nachtegaal, de stem van het leven zelf, te luisteren.
De vroege christenen symboliseerden de bezielende werking van Christus in een vis (Ichtus). En zij die in relatie met Christus stonden, werden vissers genoemd. Dat wil zeggen dat ze bezield waren door de kracht van het leven zelf, gesymboliseerd door Christus als vis. De vis kan als eenzelfde beeld worden gezien als de nachtegaal: het bezielde leven in en buiten de mens.
Het keukenmeisje symboliseert het aspect in het bewustzijn dat direct contact met de natuur heeft door middel van het voedsel en de voedselbereiding. Zij herkent de zang van de nachtegaal meteen en krijgt tranen in haar ogen bij het luisteren ernaar en heeft dan het gevoel alsof haar moeder, Moeder Aarde, haar kust, haar liefheeft. Het bezielde leven zelf ontroert haar. In de moderne maatschappij met haar geïndus­trialiseerde voedsel zijn helaas niet veel keukenmeisjes meer te vinden, wel gesle­pen voedselindustriëlen en eigenaren van cateringbedrijven.
De arme visser en het keukenmeisje erva­ren het echte, volle en bezielde leven di­rect. De arme visser weet dat de kunstvo­gel mooi kan zingen, want beschaving en gemechaniseerd leven verschaffen ons heel wat genot en gemak, maar 'er ont­breekt iets aan'. Het artificiële leven klinkt als een kunstmatig walsje. Iedere sponta­niteit is eruit. En het keukenmeisje zit er echt niet op te wachten om gepromoveerd te worden tot opperkokkin van de keizer. Ze onderhoudt liever het directe contact met het spontane leven zelf dan met het geciviliseerde, onechte leven. Ze is wel bereid het geciviliseerde en van de natuur vervreemde bewustzijn weer in contact te brengen met de nachtegaal, het spontane, oorspronkelijke leven. Het keukenmeisje weet dat kwakende kikkers kwakende kik­kers zijn en loeiende koeien loeiende koei­en. Talloze moderne mensen kennen kik­kers, koeien en nachtegalen alleen nog maar van plaatjes uit een boek. Ze bekij­ken de natuur meer vanuit hun luie stoel voor het televisiescherm dan er een wan­deling in te maken.

Als de kunstnachtegaal stukgaat ... 

De keizer, het geciviliseerde bewustzijn dat door het gemechaniseerde welvaarts­leven - de kunstnachtegaal - wordt inge­pakt, is uiteindelijk ten dode opgeschre­ven, ook al is er uiterlijk nog zoveel pracht en praal. Dit bewustzijn is zelfs geneigd om het gemechaniseerde leven, het mechanis­tische wereldbeeld, mooier te vinden dan de directe ervaring van het bezielde leven zelf, dat niet is vast te leggen in een me­chanische melodie. Het geciviliseerde be­wustzijn wil zelfs het spontane leven be­heersen, de nachtegaal op een gouden zit­stang laten zitten en opsluiten in een kooi en hem zo af en toe eens aan een zijden lint laten wandelen. Het tracht zowel de kunstnachtegaal (artificieel leven) als de nachtegaal (spontaan leven) samen te laten zingen. Maar weelde, overvloed en verfijnde beschaving gaan niet samen met het direct en spontaan ervaren van het be­zielde leven. Op deze wijze wordt de nach­tegaal uit het bewustzijn verbannen en geeft de kunstnachtegaal, het kunstmatige leven, de toon aan. Maar op een gegeven moment zal de kunstnachtegaal het bege­ven. Het kunstmatig geleefde leven immers is zo vervreemd van de natuur dat het ten dode is opgeschreven. Als de kunstnach­tegaal stukgaat, is dat een voorteken van het naderende einde van het geciviliseer­de en verwende bewustzijn. Er is niemand meer die de kunstvogel kan repareren. Als het mechanistische wereldbeeld zijn tijd heeft gehad, is het zinloos om het nog in stand trachten te houden.
Is de kunstnachtegaal eenmaal stuk, dan zal de muziekmeester in ons, dat aspect van het bewustzijn dat het meest gewend is aan het geconditioneerde deuntje, toch trachten te beweren dat alles bij het oude is gebleven, hoewel een juiste waarneming ons beter leert. De muziekmeester kan ook niet anders reageren. Dit aspect van ons bewustzijn wordt geleid door angst voor de directe ervaring van het leven zelf. De spontaniteit van het leven bevestigen, be­tekent het einde van al het geconditio­neerde, van het vertrouwde deuntje, van de muziekmeester in ons.
Als we de muziekmeester in stand houden en hem de toon laten aangeven, zal de spontaniteit in de mens sterven. De keizer dreigt niet voor niets dood te gaan. Het bewustzijn dat zich heeft afgesloten van het mysterie van het leven komt in een cri­sis, een doodscrisis.

Terugkeer van de nachtegaal

Het mechanische leven, het mechanisti­sche wereldbeeld, kan ons uiteindelijk niet ontroeren, verstoort zelfs ons gevoelsle­ven. Een tijdje lijkt een kunstmatig leven een succes, maar intussen is wel de echte nachtegaal weggevlogen. Het echte, spon­tane leven ontgaat ons dan. Alleen de te­rugkeer tot dit spontane leven van alledag kan ons genezen van de ernstige crisis die tot de dood leidt. Op het hoogtepunt van de crisis is er de herkenning dat het ge­mechaniseerde leven ons niet kan helen. De geciviliseerde mens kan er niet meer door 'opgewonden' raken.
Nu is er overgave. Het volle leven keert in al zijn schoonheid en eenvoud weer terug en de relatie met de eenheid van het leven wordt weer hersteld. De nachtegaal ver­schijnt op de tak voor het open raam en zingt zijn lied. Het bloed gaat vlugger stro­men: de geconditioneerde mens komt tot leven, het verstoorde emotionele leven komt tot ontroering. Binnen- en buitenwe­reld hebben weer contact met elkaar. Het keizerlijke (geciviliseerde) bewustzijn komt los van zijn hofhouding (zijn onecht gedrag) en moet erkennen dat de nachte­gaal, dat kleine grijze vogeltje, het beziel­de leven is dat kleur in zijn leven brengt. Dit bezielde leven is zowel in hem als bui­ten hem aanwezig, kan niet vastgehouden worden en fluistert hem vanuit de oerin­telligentie van het leven zelf alle geheimen in het oor.
De echte nachtegaal en de kunstnachte­gaal kunnen niet samenzingen, want het echte leven is vol verrassingen en het gemechaniseerde leven tracht alles vast te leggen in formules, codes, mechaniekjes, automatische processen. Zo kan een com­puter een kunstnachtegaal tekenen en het is ook mogelijk een kunstnachtegaal via de computer een melodietje te laten zingen. Maar deze getekende nachtegaal zal nooit vlees en bloed worden, uit de computer vliegen en in het kreupelhout gaan zingen.

Elke ervaring is waardevol

Verbinden we ons met het mechanistische wereldbeeld, dan ontsnapt het werkelijke leven aan onze aandacht. Zijn we tot dit in­zicht gekomen, dan betekent dit niet dat we de kunstnachtegaal in gruzelementen moeten slaan. Alles wat we aan ervaring in het leven opdoen, heeft zijn waarde. Het brengt ons tot diepere beleving en ervaring van al wat is. We dienen de kunstnachte­gaal zuinig te bewaren in het doosje waar­in we hem ontvingen, 'made in Japan', sym­bool van het namaken van het oorspron­kelijke. Musea en prentenboeken zijn uit­stekende 'doosjes' om herinneringen aan bepaalde perioden en ontwikkelingen een tijd in te bewaren. Het is een hele ervaring om een tijdje naar de kunstnachtegaal te luisteren, in elkaar gezet door knappe geleerden. Maar zijn melodie bevredigt op den duur nooit: 'Er ontbreekt iets aan.'

Alleen maar luisteren naar de melodie van het leven

Als we ons niet langer verbinden met de splitsende kennis van goed en kwaad, zingt de nachtegaal voor ons over vreugde en verdriet, over goed en kwaad. We hoeven niet tussenbeide te komen of te oordelen, alleen maar te luisteren. Luisteren naar de melodie van het leven, zonder een keuze te maken. Onze gemechaniseerde en ge­fragmenteerde kennis over onszelf, de na­tuur en het heelal hoeven we niet stuk te slaan. We hoeven alleen maar de echte nachtegaal, die we uit ons bewustzijn ver­banden, weer toe te laten, zodat het bloed, het leven, weer in ons kan gaan stromen en we de nieuwe morgen fris en zonder concepten kunnen begroeten.

Afscheid van het mythische wereldbeeld

Voor de mythische mens is alle leven be­zield. Niet alleen mensen, maar ook dieren, planten en dingen worden doordrongen van mana, levenskracht. Voorbeelden vin­den we nog bij de Aborigines in Australië, de bewoners van Polynesië in de Grote Oceaan, de Sakuddei op het eiland Siberut, ten westen van Sumatra, en bij vele In­dianenvolken.
Ook de oude Grieken kenden nog een ziel toe aan alle levensverschijnselen, zoals we bijvoorbeeld zien bij Thales van Milete (6de eeuw v. Chr.), die zelfs aan de magneet­steen een ziel toekende, en bij Plato, die de planeten nog als levende wezens zag. Bij Aristoteles treedt al een verandering op. Hij beschouwde de planeten als immateriële substanties of intelligenties.
Voordat het wereldbeeld van Ptolemaeus definitief overging in dat van Newton, heeft zich een heel proces voltrokken van rationalisatie en reductie, waardoor de kunstnachtegaal steeds meer invloed op het leven kreeg. Het betekent ook een ge­leidelijk afscheid van het mythische we­reldbeeld, van de wereld van het sprookje en de poëzie, waarin het leven nog als een­heid wordt voorgesteld en alle leven met elkaar verbonden is.
 
Het éne, grondeloze bewustzijn

In de zestiende eeuw wordt het pakketje van de kunstnachtegaal reeds voorbereid door de Duitse sterrenkundige Johannes Kepler, die aanvankelijk nog van bezielde planeten spreekt, maar geleidelijk steeds meer het woord kracht (Lt. vis) gebruikt in plaats van ziel (Lt. anima). Zo wordt de weg vrijgemaakt voor de moderne fysica, die redeneert in termen van krachten, energiewetten, thermodynamica, onzeker­heidsprincipes, deeltjes en golven (quan­tummechanica) en het gehele heelal tracht te verklaren vanuit één superkracht (Haw­king en Davies). Op zich een grandioze ontdekking, die ons verlost van mismaak­te godsbeelden en allerlei projecties, maar die tevens vraagt om een radicale herbe­zinning op het leven zelf. Immers, leven omvat meer dan formules, systemen en netwerken. Water is meer dan H2O, gene­tica meer dan het knippen in DNA-codes, en materie omvat meer dan louter chemi­sche structuren. Daar zijn steeds meer we­tenschappers van overtuigd.
De mythologische inzichten over de bezie­ling van alle leven, de kennis van de oepa­nisjads over het eeuwige Zelf, de mystieke ervaringen van het grondeloze substraat dat ten grondslag ligt aan alle worden en de ontdekkingen van de subatomaire we­relden van de quantummechanica lijken el­kaar te ontmoeten in het tijdloze veld van bewustzijn, waaruit alle energie, materie (naam en vorm) als een spel oprijst. Ge­manifesteerd leven is een speelse uiting van bewustzijn. Geest en materie zijn slechts twee polen hiervan.
In de wereld van de mythe en het sprook­je draait in feite alles om dit éne, grondeloze bewustzijn, de bronloze bron van al wat is, 'Dat', wat we naar ons wezen zijn.

De eenheid is ons ontgaan

Indien nodig, reactiveert de mythische mens dit grondeloze bewustzijn door mid­del van riten en symbolen. Het sprookje, dat nauw verwant is met de wereld van de mythische mens, tracht op verhalende wijze de herinnering in ons bewustzijn op te roepen aan ons ware zijn, onze konink­lijke afkomst. Alle figuren en karakters in het sprookje zijn uitdrukkingen van het be­wustzijn dat op zoek is naar zijn eigen grondeloos substraat: het Zijn zelf.
Maar door het proces van voortzettende vervreemding van de natuur is de moder­ne mens steeds verder van zijn ware wezen af komen te staan. De overal aanwezige mechanistische visie op het leven, ont­staan door toenemende rationalisatie, re­ductie van de werkelijkheid en voortdu­rende analyse, zorgde ervoor dat de nach­tegaal wegvloog. We hebben hem zelf ver­bannen uit ons echt keizerlijke (goddelij­ke) bewustzijn, dat we tot een eenzijdig ge­civiliseerd bewustzijn maakten. Dan is de weg vrijgemaakt voor experimenten en technieken die ons in grote gewetensnood brengen ten aanzien van vragen over leven en dood, omdat het leven als totaal mys­terie niet meer wordt herkend en ervaren. In het verlangen het leven te willen be­grijpen, hebben we het als een ui schil voor schil gepeld. Wat we overhielden, is een handvol schillen en tranen in onze ogen ... De eenheid is ons zo ontgaan.

Mythe, sprookje en wetenschap

Nadat de wetenschap het mythische we­reldbeeld verbrijzelde en de wereld van het sprookje als wilde fantasie van de geest achter zich liet, bevestigt ze nu de waarheid van de mythe en van het sprookje. De roep naar een ho­listisch wereldbeeld loopt parallel aan de ontdekkingen van de eenheid van het leven van vele wetenschappers. Pribram ont­wierp de holografische theorie van de hersenen, Sheldrake vermoedt morfoge­netische velden, de astronoom Jantsch, de scheikundige Prigogine, de bioloog Love­lock en de antropoloog Bateson ontdekten respectievelijk het zelforganiserend ka­rakter van het universum, van chemische systemen, van planeet aarde en van socio­culturele systemen. De Tao van fysica (Capra) en De dansende Woe-Li* Mees­ters (Zukav), om slechts enkele boeken uit de moderne fysica te noemen, spreken bijna mythisch, sprookjesachtig en mystiek over de eenheid van al wat is. Mythe, sprookje en wetenschap blijken plotseling meer met elkaar te maken te hebben dan de wetenschap ooit durfde toe te geven.

De echte nachtegaal zal blijven zingen
 
Het sprookje van De keizer en de nach­tegaal blijkt zeer actueel te zijn. Ook voor China, dat in zijn algemeenheid zijn oude wijsheid verloor, en voor Japan, dat zoveel vernuft ontwikkelde, maar tegelijkertijd zo diep bezield wordt door het shintoïsme en boeddhisme. De echte nachtegaal zal blij­ven zingen, ook al bedreigt de moderne be­schaving zijn bestaan. Diep in onszelf is deze zielevogel verborgen. Als onze sa­menleving ernstig bedreigd wordt in haar voortbestaan, zal hij des te krachtiger gaan zingen en ons bewust maken van de ver­broken banden met de natuur en het mysterie van het leven.
De oerintelligentie van het leven is steeds bereid de stervende keizer te helen, als we maar bereid zijn het contact te herstellen met de arme visser en het keukenmeisje, het gewone leven. 



© Marcel Messing
Prana 92, december 1995 / januari 1996

Noot:
* Woe-Li is het Chinese woord voor natuurkunde.

Literatuur:
Andersen, H.C., 'De keizer en de nachtegaal', in: Sprookjesboek. 60 sprookjes en volksverhalen, Reader's Digest, Amsterdam/Brussel, 1988, p. 94-104.
Bohm, D., Heelheid en de impliciete orde, Lemnis­caat, Rotterdam, 1985.
Capra, F., Het keerpunt. Wetenschap, samenleving en de opkomst van de nieuwe cultuur, Contact, Amsterdam, 19874.
Capra, F., De Tao van fysica. Een onderzoek naar de parallellen tussen de moderne fysica en oos­terse mystiek, Contact, Amsterdam, 19864.
Davies, P., Superkracht, Veen, Utrecht/Antwerpen, 1986.
De Lamettrie, J.O., De mens een machine, Boom, Meppel/Amsterdam, 1978.
Zukav, G., De dansende Woe-Li Meesters. Een over­zicht van de nieuwe fysica, Bert Bakker, Amster­dam, 19877.